Zomergast Bram Moszkowicz en Joris Luyendijk stelden helaas nogal teleur. De eerste omdat hij nauwelijks in staat blijkt ook maar een milimeter van de uienschillen om hem heen af te schudden en de kijker eens een blik op zijn ongetwijfeld turbulente en volle binnenkant te gunnen en terugvalt op het eeuwige reclamepraatje voor de firma, de laatste omdat hij elke kans eens te prikken in die obligate retoriek liet voorbijgaan, veel te veel zijn eigen bewondering voor zijn gast op de voorgrond liet treden (heel even dacht ik dat het uit ongemak met het ‘aanpakken van een Jood op gevoelige kwesties’ was, tot ik me de aflevering met Leon de Winter herinnerde, die hij juist onwerkelijk hard aanviel op een aantal van diens standpunten) en hem dientengevolge zelfs eigenschappen toedichtte die Bram nota bene zelf vrijwillig ging zitten afzwakken, duidelijk slecht of beperkt kennis genomen had van de materie waar een deel van de uitzending sowieso over zou gaan en toch keer op keer probeerde het slimme jongetje te spelen (het is al vaker opgevallen dat Luyendijk niet echt heel erg snugger is en een tamelijk nauwe blik op de wereld heeft) en in ‘t geheel nergens grip kreeg op het gesprek. Het gedeelte van het gesprek over het Auschwitzverleden van vader Moszkowicz was ronduit genant. Niets origineels, niets persoonlijks van waarde en Luyendijk die zijn tong zo diep in de aars van Abraham had hangen dat ie er moeilijk van ging praten. Journalistiek niveau Het Plaatselijke Sufferdje. Ik heb spannender ‘op-locatie’-interviews bij de TV-uitzendingen van Radio Bergeijk gezien. Koddig vond ik de opmerkingen van de gast betreffende de vergelijking pop- versus kamermuziek. Wordt het laatste toch veelal beschouwd als de James Last-troep van de oudheid, Moszkowicz vond het duidelijk zeer superieur aan ‘de pop’. Ik miste alleen nog een monôcle of lorgnet en een zakhorloge.
Wat overbleef waren een paar aardige fragmenten, zoals een knipsel uit ‘Het franse equivalent van Judge Judy’ (hier begreep Luyendijk ook precies de pointe niet van’), de clip: When Doves Cry (Prince). [Toegegeven, je moet er niet naar kijken, het blijft een eng gnoompje en deze clip heeft te weinig van wat later de redding was voor de kijker van Prince-video’s: veel strakke toeven en grote emmers.] Wel aardig was een korte scène uit L’ascenseur pour l’échafaud (Lift naar het Schavot, 1958) met Jeanne Moreau en Lino Ventura, evenals clips uit documentaires over de (aanloop naar) Israëlische vergelding voor de aanslagen in München in ‘72 respectievelijk de zaak Eichmann in de vorm van een gesprek met (wijlen) Simon Wiesenthal. (Moszkowicz’ verhaal vertoont hier wel grote tegenstrijdigheden betreffende recht, logica, rechtvaardigheid en (staats-)terrorisme, ook weer een punt dat Luyendijk veel te makkelijk liet voorbijglijden). Het boeiendste was wellicht nog een excerpt uit een interview met Philip Roth (door Zeeman) over diens boek Patrimony, dat gaat over zijn beleving van de confrontatie met de sterfelijkheid van zijn vader nadat in diens hoofd een massieve tumor is ontdekt, ware het niet dat het Luyendijk niet lukte iets niet-triviaals over de parallel met Brams leven -de hersenbloeding van zijn vader- op tafel te krijgen. Niet dat hij er veel moeite voor deed.
Voorts een gezien de gast voorspelbaar stukje over het spaghetti-arrest in de zaak Dutroux (een rechter [Connerotte] in casu bestond het om met de ouders van de slachtoffertjes nog tijdens de zaak een maaltijd te nuttigen). De inkomer leek even een veelbelovende open avond in te luiden: een stukje Wallace & Gromit, volgens Moszkowicz gekozen vanwege de interesse ervoor van zijn toen 10-jarige kind. Maar het (niet grappige) stukje diende slechts als vehikel voor de slottekst, die zoveel impliceerde dat zelfs een goed burger zomaar als verdachte van een misdrijf in het beklaagdenbankje kan komen te staan.
Het muzikale slotfragment van Casal was een klein goedmakertje voor de oppervlakkigheid van de avond. Mooi, subtiel, leuk om (weer) eens te zien en horen.
De keuzefilm (Witness for the prosecution, 1957) heb ik deels en met een half oog gezien, mij te gedateerd en niet uniek genoeg in het genre om helemaal uit te zitten. Wel een hoog scorende film volgens IMDb overigens, 8.2/10.
Kortom: misschien fascinerend op een abstracter niveau, voor wie het boeiend vindt de interactie tussen gast en interviewer te observeren, maar inhoudelijk, naar ik aanneem zoals bedoeld, een televisie-avond die niet hoog in de VPRO-topweetikveel thuis hoort. Wie de synopsis van deze avond nog eens wil nalezen: link, de herhaling van de uitzending is aanstaande zaterdag, 4 augustus, 13:10 op NED2
En ik blijf bij mijn mening dat Joris Luyendijk veel beter tot zijn recht komt als onderzoeksjournalist en op papier dan als gastheer/interviewer. Dat is hij simpelweg niet en ik zie het hem ook niet worden; hij is niet in staat in zijn hoofd zijn gast een stap voor te zijn, denkt gewoon te traag, heeft moeite een zo objectief mogelijk interview te houden en is bepaald geen geslepen woordkunstenaar. Reuzejammer dat de VPRO volhardt in de keuze voor deze presentator: de formule van Zomergasten biedt prachtkansen een mensch (om met Bram te spreken) op een unieke manier te portretteren. Mogen wij hierbij Adriaan van Dis terug? Elitair of niet, (dat is zo’n programma toch wel, al laat je Connie Palmen het presenteren. O, heu, die hebben we ook al gehad. Hellep!) na Meijer en van Gogh weet ik zo niemand die het aankan. En ga nou niet Jeroen Pauw roepen, want dan moet ik huilen vrees ik. Zet dan meteen Mart Smeets maar neer.
laatste reacties